vorige  volgende

 

 

 

De Koninklijke Handboogmaatschappij

“EDEL TIJDVERDRIJF”

(1869 – 1969)

 

 

 

    1. Het Schuttershof in 1969.

     

         Op een donkere woensdag vóór kerstmis gingen we naar die training. Door een natte mistige avond tot halfweg Essen-Horendonk. Rechts een oud huis, herberg “Het Schuttershof” bij Frans Backx. Verbazend dat gezicht: de kop van Stijn Streuvels.

     

          In de gelagzaal barsten de muren van schutterstrofeeën: foto’s, bogen en pijlen, de kasten gevuld met bekers en medailles. Door de open deuren kijken we in de overdekte schutterij. We staan in een kring van mannen, schutters geschaard omheen het roodgloeiende kacheltje. We zien de smalle donkere ruimte, vijfentwintig meter diep, tussen twee rijen hangende schutborden. “Au fond”, verblindend in het licht van schijnwerpers, de doelen. Op een bruin vlak naast elkaar drie witte vierkante platen met de gekende gekleurde cirkels omheen het center (de roos).

     

         Dat bruine vlak is een schuinstaande manshoge wand van bunt (pijpenstrootje), 40 cm dik. Daar boort geen pijl doorheen. Voor wie van boogschieten weinig of niets zou weten, de cirkels van een schietschijf bevat tien kronen, genaamd van omtrek naar center: 1 en 2 (wit), 3 en 4   (zwart), 5 en 6 (blauw), 7 en 8 (rood), 9 (wit) en 10 (zwart met een wit center).

                                                                              Frans Backx achter de tapkast

     

         Onder elkaar pratend hebben de schutters hiervoor vertrouwelijke benamingen. Schiet iemand in het witte center, dan roep ze “gaudeamus”, Schieten ze in 1 of 2 heet “een uil” of “een aap”. Buiten de kronen schieten is “een afzwaaier”.

     

         Te laag schieten heet “te kort”. Het nerveuze lossen van de pijl met bruuske beweging is “een snok” of “een trakschot” (de trak hebben). In de bunt schieten heet “geiteguiers” (gras) en gebeurt in een beleefde stilte. Uit de drukke commentaren hoor ik bargoens als: “Een schrale drie”. “Scherp een negen. Wat scherp ? Gewoon een negen. En platte negen. Een boerennegen”.

     

         “Edel Tijdverdrijf” telt 50 leden, waarbij 20 actieve schutters, de overigen zijn oud-gedienden en ereleden als boeren, de brouwer, e.a.

    Van die twintig schutters was deze avond het kruim aanwezig. Op een muurlijst van gewestelijk schieten vonden we hun namen:

     

    Staf Van Dorst: jaargemiddelde 901 of 9,01

    Karel Wijters: jaargemiddelde 884

    Frans Brouwers: 878

    Armand Van Dorst: 875

    Jan Antonissen: 864

    Henri Mol: 839

    Jan Backx: 838

    Frans Van Loon: 829

     

     

     

     

     

        

         Dat betekent: in 1968 schoot Staf 20 pijlen in elk der 15 aangesloten verenigingen, of 300 schoten aan een gemiddelde van 9,01. Een toeschouwer –had nooit geschoten- vroeg een proefschot. Zijn pijl daverde de donkere ruimte binnen en boorde zich halfweg splijtend in een schutbord. De 300 pijlen van Staf gingen alle, gemiddeld, in het kleine witte cirkeltje omheen de roos !

     

         Modern materiaal, die Amerikaanse bogen uit plakhout en fiberglas, met een spankracht van 20 tot 40 libs (lib = 453 gram). De pijlen, in metaal of in microfilmvezel, variëren in dikte en gewicht van 18 tot 24 gram.

    Duur spul: Karel trekt een 34 libs van 4.500 fr., Staf een 28 libs van 5.400 fr. en in het rek staat een 33 libs van 6.000 fr.

     

         De schutter. – Henri, Karel en Staf zijn linksen, zij trekken de pijl met de linkerhand. Armand is een rechtse.

    Henri staat op de stand, de boog op armlengte verticaal in de rechtervuist, de pijl in de linkerhand. Die pijl zet hij met de slip op de trens van de pees (nylonkoord), de pijlpunt rust op de loper van de boog. Hij staat onbewogen, sterk geconcentreerd, met gespreide benen, de linker- achter de rechtervoet geplant.

         Zijn linkerhand trekt pijl en pees achterwaarts, tot zijn duim zich schoort in zijn nek. De pees komt verticaal vóór voorhoofd, neus, mond, kin en borst. Nu raakt het witte stopseltje (tutter) op het midden van de pees zijn lippen. Zijn linkeroog zoekt het viziergaatje vooraan op de boog. Om zijn pijl bekommert hij zich niet, d.w.z. hij bekijkt hem niet. Door het enge viziergaatje zoekt hij het witte stipje, vijfentwintig meter doorheen de donkere ruimte, op het witte doel. Zijn lippen staan nu gerokken tot een zoen op de strakke pees. Er is geen emotie op zijn hard gezicht.

     

         Doef ! In de verte ploft de pijl in de 9. Elk schutter heeft zijn eigen doenwijze.

    Allen schieten met vizier, maar Henri met groot vooruitgeschoven vizier en nog een derde “oog” op de pees. Ze trekken zware of lichte pijlen, ze zoenen de pees met de lippen, raken ze met de neus of leggen de pees naast de mond. Elke schutter draagt op de voorarm, ter beschutting, een lederen schietlap, zo niet zou na het schot de terugverende pees de huid tot bloedens schaven.

     

         Jonger dan je denkt. Elke          donderdag schieten de leden-veteranen. Een tiental: Arjaan Van Dorst (85 jaar), Kees Arnouts (83 jaar), Arjaan Brouwers (82 jaar), Peer Bartelen (75 jaar), Ward Backx (74 jaar), Kees Nelen (73 jaar), Frans Nelen (69 jaar), Marijn Baetens (68 jaar), Louis Van Doren (68 jaar) en Kees Herreygers (65 jaar).

     

     

     

     

     

    “Die mogen nog buiten schieten”, toch halen de besten gemiddeld 7 op dertig schoten.

         Ze schieten voor geld: voor elke “lap” (roos) betalen de anderen één frank. Ze schieten om prijzen in natura, meegebracht door voorzitter Van Genegen uit Kapellen: een geslachte kop, een fles wijn of een mand appelen. Schiet de schutter een 7, dan haalt hij zeven appels uit de mand.

     

         Vrouwen schieten. Bij “De Arabieren” op Horendonk schoot de vrouw van Ward Loopmans zich in 1968 “koning”. En nog een lid van die vereniging, Julia Herrijgers, komt hier in het Schuttershof met haar echtgenoot, Jos Loopmans, trainen.

     

         Het aktief bestuur bestaat uit zes leden: voorzitter Ward Backx, onder-voorzitter en inrichter van de 6-dagen Clement Backx, secretaris Leon Gabriëls, commissarissen Frans Brouwers en Gerard Cools, sportleider Henri Mol.

     

         Henri leidt o.a. de maandelijkse pot-heulschieting (heulen is samenkomen) voor een twintigtal schutters. Twee groepen van tien kampen dan tegen elkaar. Het “lot van de pijl” beslist bij weke groep elke schutter hoort. Hij laat de twintig pijlen, met één worp, over boog en pees op de grond rollen. De tien pijlen, die met hun punt dichtst bij de boog liggen, vormen de groep voorheul en spelen tegen de achterheul. Bij onpaar getal heet de overblijvende pijl “dame” en telt dubbel.

     

         Voorzitter Ward Backx, eenmaal één van het gevreesde schutterszestal gebroeders Backx, menen we bondig best te kunnen typeren als een levenswijze vader, een rusteloos werker en een goedig leidsman van deze mannen-republiek. Geen lawaaierig sportmens, deze man met de lijzige stem en de monkellach, zijn woorden geladen met humor.

    Daarom laten we hem nu aan het woord voor de honderd jaar geschiedenis van zijn schuttersvereniging. Hij is nog één van de zeldzame, die dank zij een sterk geheugen en een scherpe pen, de folklore van de negentiende eeuw kunnen vastleggen.

     

     

    Ward Backx, voorzitter van " Edel Tijdverdrijf  ",

    tevens Deken van de Begische federatie van doelschieten.

     

     

        

     

    vorige | | volgende