vorige | begin | volgende

 

 

 

De Koninklijke Handboogmaatschappij

“EDEL TIJDVERDRIJF”

(1869 – 1969)

 

 

4.  Een schieting in de 19de eeuw.

 

 

 

 

 

     Elk jaar organiseerde de schutterij een prijsschieting, waarop de schutters uit het omliggende zich onderling kwamen meten. Gold deze feestschieting een verjaring van de vereniging, dan werd er nog een schepje bijgedaan. Het lokaal was dan feestelijk versierd en de plaatselijke harmonie of fanfare werd uitgenodigd.

     Daar er onder de goddelijke diensten in de kerk niet mocht geschoten worden, kwamen de eerste schutters pas na de hoogmis toe. De meeste kwamen met de leertrein, d.i. een paar stevige vetleren schoenen. Ze kwamen van Ruckphen, Roosendaal, Wouw, Huybergen en vanzelfsprekend ook uit al de onze omringende Belgische gemeenten.

     Daar zijn de mannen van de Oude Doelen uit Roosendaal met een volgepropt gerij schutters, de befaamde en gevreesde mannen van de Langen Dijk. De onvergetelijke Frierus Deckers, met zij mooie volle baard, ment het paard en zal ook straks bij de schieting leidsman en raadgever van zijn zestal zijn.

Een vol gerij uit Wuustwezel, met de sterke smid Kerremans en zijn B-vennoten : Bussers, Beyers en Bevers.

     Hun stemming is bij de aankomst nog wat beevaartachtig, maar dat zal straks wel beteren. In een ondoorzichtige stofwolk nadert de hondenkar van Peerke Van Doren uit de Kouhei, met de mannen van Kalmthoutsen Hoek. De rijzige smid Frans Suykerbuyk is de eerste die bij aankomst zich weet te bevrijden uit zijn oncomfortabele houding. Peerke ment een span van vijf trekhonden. Hun reis ging uitsluitend door zanderige karrensporen,  want op de ruwe keien lopen deze beesten hun poten stuk.

     Zo komen een voor een de schutters uit de omliggende dorpen toe.Jantje Peeters van de Schriek met zijn bierpaard sluit de rangen. Met dat paard van Jantje kan men alles uitrichten. Met de beste wil van de wereld is het echter niet mogelijk het beest voorbij een herberg of afspanning te krijgen. In bierdrinken doet het niet onder voor zijn baas. Jantje is een dierenvriend, en de eerste pint  bij aankomst is dan ook voor zijn paard.

De schuttersmassa is nu compleet : een wemeling van mensen en dingen. De meeste paarden staan uitgespannen, gestald of in de boomgaard te grazen gezet. Hooibussels en roggebroodjes worden van onder de rijtuigen gehaald en de dieren voorgezet. Peerkes dorstige honden schijnen van plan de ganse waterput leeg te slabberen.

     Ook de hongerige schutters zijn overgegaan tot de aanval. De blauwlinnen schoofzakken worden ontknoopt. De eigengebakken builenboterhammen van eerbiedwaardig formaat, geflankeerd door vingerdikke krippen doorregen spek gaan als manna naar binnen. Ook hard gedroogde worst in formaten van pijpensteellengte tot wandelstok komen uit de grauwpapieren zakken. Ze drinken pinten fris gerstebier, om de spijsvertering een vlot verloop te geven gedurende de strijd voor de doelen.

     De eerste aanval gebeurt op het hoofddoel : een wedstrijd waar uitsluitend met zestallen, samengesteld uit schutters van eenzelfde vereniging, wordt gekampt om de ereprijzen. Die ereprijzen bestaan uit medailles en koningskruisen, geschonken door vorstenhuizen en hoogwaardigheidsbekleders. Ze blijven eigendom van de vereniging, waartoe het zestal behoort.

     In de bitterste ernst – het gaat immers om de eer – schiet elke vereniging haar beperkt aantal pijlen. Bij elke schutter algehele concentratie en zelfbeheersing, want niemand draagt graag de schuld van een nederlaag.   

 

 

 

     Dan volgt de schieting op de bijdoelen. Iedereen kan naar believen herkansen, zo dikwijls als hij wil, om de persoonlijke prijzen. Die prijzen staan tentoongesteld in het lokaal.

 

     Ze vullen gans de beschikbare ruimte : schapprijzen of pottekarré, dit is allerlei keukengerei gaande van koperen ketels, koffieserviezen, soepterrine, kasserollen        (gietijzeren ketels om boven het vuur te hangen) tot schuimspanen en … onveranderlijk steeds als laatste prijs, een kommeke zonder oor.

 

 

     Hier ziet men de beroemdste figuren uit de schutterij in actie : Corneel  de naaier (kleermaker) uit Nispen die er nooit in slaagde zijn elleboog tot rust te brengen dan na het gebruik van enkele dikkoppen. De stugge figuur Frierus Deckers uit Roosendaal, die bij elk schot zijn volle witte baard tussen zijn vest steekt om het schieten niet te hinderen. Smid Kerremans van Wezel, de eeuwige zwetser, Jan Nelen (den Boebert), een van onze beste schutters, de uilenspiegel van die tijd, die iedereen teisterde door zijn onuitputtelijke guitenstreken. Arjaan Boden (de Schrobber) van de Heikant bewonderd om wat die nog deed in zijn grootste ellende. Hij werd uitgespannen en al zijn hebben en houden publiek verkocht. Toen wist Arjaan aan het niets ontziende oog van de verkoophoudende notaris zijn duurbare boog te onttrekken.

     Hier viert de leute hoogtij. Er wordt gewed om een pint of borrel, gesnoefd of gejubeld bij het treffen van de roos of gesakkerd bij een afzwaaier. Bij de pijltrekker-roeper hangt het volume van de uitroep rozalie  grotelijks af van het aantal pinten of borrels die hem deze karwei opbrengen. Ook de schrijver is deelgenoot aan deze geestrijke verrijking.

 

     De pijldragers jubelen vooral voor rozen van mannen als Frierus Deckers en de smid van Wezel, die geen duitje terug moet hebben als ze met een hele cent betalen. Ja die kleppers kunnen het doen. Hun bogen en pijlen zijn ware sieraden waaraan geen enkel lapverband of koorden voorkomt. Zij zien er zelfs niet tegen op om 30 cent te betalen voor een nieuwe pees, lang voordat de oude versleten is.

 

 

   Frierus Deckers uit Roosendaal.

                      

 

 

 

     Hoe smartelijk nadelig steekt hier de pruimenhouten boog van Cees Jacobs af (de vent van Trien Smout), met zijn onmisbare koordverbanden om het kranke lijf. Die boog staat geweldig naar den arbeid, zoals dat heet in schutterstermen, dit is in afgespannen stand nog fel voorovergebogen, evenals zijn meester. Niet ten onrechte vreest Kees bij elk schot voor een noodlottige afloop. Kees en zijn boog, ze zouden beiden volstrekte rust broodnodig hebben.

 

     En dan Piet Van Aert. De man die de naam heeft van zuinig, ja zeer zuinig te zijn, ziet niet op een halffranksken voor de aankoop van pijl of boog. Hij koestert zijn fraaie letterhouten boog als een kleinood, dat nooit met de horen de vochtige grond mag raken.

Piet staat nu met vier rozen in vijf schot; Hoe is 't mogelijk ? Treft het laatste schot, dan komt het dure koffieservies als eerste prijs in zijn bezit. Maar Piet maakt zich geen illusies. Hij kent de menselijke zwakheden in kritieke ogenblikken. Met de beste wil van de wereld, en die heeft Piet, kan hij niet verhinderen dat telkens in een dergelijke situatie, zijn laatste schot een afzwaaier is. Hij prutst nu wat aan zijn trens om een geldig excuus te hebben na de noodlottige afloop. Zijn pijl zit wat los, beweert hij.

     Hij komt voor doel. Schrik en ontreddering op zijn gelaat. De beverige vingers sukkelen om de pijl op de pees te krijgen. En dan gebeurt het onvermijdelijke. Na een fameuze zwaai kiest de pijl de ruimte en maakt een zachte landing op het strodak van Keeske Bernaerts geitenstalletje. Geen emotie op zijn gezicht, geen vloek of klacht op zijn lippen. Hij ondergaat gelaten. Den Boebert is weer den eerste om hem te troosten (?) met de opmerking dat de geit ongedeerd is gebleven. De Schrobbert is van een gans ander type. Hij heeft zijn eigen manier van aantreden bij het schieten. Eerst blijft hij enkele ogenblikken stokstijf staan, alsof hij deel uitmaakt van de pauselijke erewacht.

 

     Sommigen beweren dat hij in deze stand nog een schietgebedje prevelt voor de goede afloop. Den Boebert echter, en die kan het weten, verwerpt categoriek deze devote neiging en beweert, dat hij deze houding benut, om het soort vloek te bedenken, die hij na de zeer waarschijnlijke slechte afloop van het schot zal vloeken.

     De drukte bij de prijsuitreiking beschrijven is moeilijk : de laureaten worden omstuwd en toegejuicht. Er is vreugde om de schapprijzen en alles ruikt naar gerstebier.

     Die prijzen zijn niet alleen nuttig in het huishouden, ze zijn bovendien een uitstekend middel om bij een al te late thuiskomst de scherpe kanten van het wederzien wat af te ronden. Zo heeft Peerke Van Doren uit de Kouhei eens bij gebrek aan een gewonnen prijs, een potscheel uit het rek genomen en over de vloer laten rinkelen, om zijn wederhelft op het bovenkamertje gunstig te stemmen. Dat deed hij echter maar eenmaal, want toen Mieke 's anderendaags de fraude ontdekte, vond ze er niet beter op dan het smeulend haardvuur wat aan te wakkeren met Peerkes boog.

 

vorige | begin | volgende

 

 

Terug naar hoofdpagina